Er zijn behoorlijk wat Zuid-Nederlandse ambachtslieden naar Alkmaar gekomen. Een grote groep trok tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hierheen, maar de migratiestroom bleef doordruppelen tot halerwege de achttiende eeuw.
Vluchtelingen
Toen de Spaanse koning de Zuidelijke Nederlanden heroverde na het uitbreken van de Opstand, trokken veel mensen weg uit het gebied. Daar waren verschillende redenen voor. Religieuze overwegingen bijvoorbeeld: protestanten konden onder het katholieke Spaanse gezag kiezen tussen bekering tot het katholicisme, vervolging of vluchten. Er waren ook economische redenen om te migreren. Zo kwamen veel mensen uit de wol- en lakenindustrie in de problemen doordat de oorlog de aanvoer van wol uit Engeland dwarszat. Na de Tachtigjarige Oorlog zullen de meeste immigranten om economische redenen naar het noorden zijn getrokken, waar de economie was opgebloeid.
Lakenmakers en wolververs
Veel politieke en religieuze vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden waren welgesteld. Ze brachten geld en kennis mee naar het noorden. Maar er kwamen ook arme migranten op de economische bloei in het noorden af. In Alkmaar vinden we onder de Zuid-Nederlandse immigranten veel ambachtslieden, ook uit de wol- en lakenindustrie. Ze werkten bijvoorbeeld als (wol)lakenmaker en wolverver, en als droogscheerder, lijndraaier, schoenmakersgezel, slotenmaker, koekenbakker, timmerman en stratenmaker.
Afbeelding: Lakenmakers aan het werk op een prent van Jan Luyken, 1694 (Rijksmuseum Amsterdam).



