Als eerste plaats in Nederland gaf Alkmaar in 1604 een gemeenschap van joden toestemming zich in de stad te vestigen. Het ging om een groep zogeheten Sefardische joden, vooral afkomstig uit Portugal en ook wel uit Spanje. Deze joden waren in hun land gedwongen geweest zich tot het christendom te bekeren. Toen de jodenvervolging er verder toenam waren ze gevlucht, onder meer naar de Nederlanden. Het waren vaak welgestelde kooplieden met een rijk handelsnetwerk. Veel van hen gingen daarom aan het begin van de zeventiende eeuw in handelsstad Amsterdam wonen. Daar keerden ze voorzichtig terug tot het jodendom.
Veilig
De joden uit Amsterdam vroegen het Alkmaarse stadsbestuur in 1604 of ze in de stad mochten komen wonen. De stadsbestuurders beslisten op 10 mei van dat jaar dat de joden even veilig – ‘gerustelick ende sekerlick’ – in Alkmaar zouden mogen wonen als alle andere inwoners en er ook hun eigen geloof zouden mogen beleven. Toch verhuisden er niet veel joden naar Alkmaar. Misschien wilden ze met de Alkmaarse toestemming vooral meer vrijheden afdwingen bij het stadsbestuur van Amsterdam. Toen het Amsterdamse stadsbestuur in 1606 geen toestemming wilde geven voor een joodse begraafplaats in de stad, kochten de joden een stukje grond in Groet om er hun doden te begraven. Die begraafplaats bleef tot 1614 in gebruik.
Pestepidemie
Bijna tien jaar na de toestemming van het stadsbestuur, in 1613, kwamen er toch nog een paar joodse families in Alkmaar wonen: de families Du Paz en Duarte. Maar toen er in 1655 opnieuw een groepje Portugese joden naar Alkmaar wilde komen, liet de stad ze niet meer toe. Dat jaar ging de Nederlandse Republiek gebukt onder een pestepidemie. De Alkmaarse kerkenraad had er bij de stadsbestuurders op aangedrongen de joden niet toe te laten vanwege het besmettingsgevaar – maar ook omdat ze ‘de christelijke religie met haere confessie nadeelig’ waren.
Afbeelding: In de Portugese Synagoge van Amsterdam, detail van een schilderij van Emanuel de Witte, 1680 (Rijksmuseum Amsterdam).



