Tientallen mensen uit het ‘Oostland’ trouwden in de zeventiende en achttiende eeuw in Alkmaar. Zij waren afkomstig uit het Oostzeegebied: het uitgestrekte gebied ten oosten van de Weser, van Hamburg tot Danzig en Koningsbergen aan toe. Omdat ze lastig onder één noemer te vangen zijn, gebruiken we hier voor hen ook wel de kunstmatige term ‘Oostzeelanders’.
Moeder van alle handel
Nederlandse kooplieden dreven sinds het einde van de middeleeuwen volop handel met het Oostzeegebied, vooral in hout en graan. Die handel was zo lucratief en belangrijk dat de Oostzeehandel bekend kwam te staan als de moedernegotie: de moeder van alle handel. En die moedernegotie was zo succesvol dat die aan de basis stond van Nederlands ‘Gouden Eeuw’. Amsterdam dankte er ook zijn opkomst als belangrijkste handelsstad van Nederland aan. Wanneer er veel handelgedreven wordt met een gebied, wordt er ook veel uitgewisseld. In de eerste plaats handelswaar natuurlijk, maar mensen die betrokken waren bij de koopvaart bleven ook wel eens hangen op hun handelsbestemming. En zo kwamen er ook ‘Oostzeelanders’ terecht in Alkmaar.
Varensgezel
Een deel van de mensen uit het Oostzeegebied voerde beroepen uit die nauw te maken hadden met de scheepvaart. Zo vonden we Pieter Fredericksz en Jan Kerstens, allebei ‘varensgesel’ uit het Oostland, terug in de trouwboeken. Andere ‘Oostzeelanders’ die zich in Alkmaar vestigden, hadden beroepen als lijndraaier, lintwerker, stoelmaker, leerbereider, houtzager en kuiper. Ze trouwden vaak met vrouwen uit Alkmaar of omgeving. Een enkele bruid, zoals Lijsbeth Dirks uit Stockholm en Merritien Claes uit ‘Luckstadt in Oostlant’, kwam zelf ook uit het Oostzeegebied.
Afbeelding: een handgekleurde zeekaart of ‘Pas-caart’ van de Oostzee, door Gerard Coeck, 1673 (Rijksmuseum Amsterdam).



