In de tweede helft van de zeventiende eeuw kwamen er – na de Portugese joden uit het begin van de eeuw – opnieuw joden in Alkmaar wonen. Deze keer waren het zogeheten Hoogduitse joden: joden uit Midden- en Oost-Europa, met name uit het Duitse rijk en Polen. Zij werden in hun land van herkomst vaak vervolgd, en namen hun toevlucht tot de Nederlandse Republiek, waar iedereen mocht geloven wat hij wilde.
Joodse slager
Anders dan de joden uit Portugal en Spanje waren de Hoogduitse joden vaak erg arm. Het Alkmaarse toelatingsbeleid was voor hen daarom minder soepel dan voor de welgestelde Portugese joden. Toch nam vanaf de late zeventiende eeuw het aantal Hoogduitse joden in de stad langzaam toe. De joden bleven lang een aparte groep. Ze spraken onderling Jiddisj. Joden mochten zich niet aansluiten bij een gilde, terwijl voor veel beroepen het lidmaatschap van een gilde verplicht was. Daarom waren de meeste joden kleinhandelaar of winkelier. In het midden van de achttiende eeuw verwierf een joodse slager als eerste jood het Alkmaarse poorterschap, het officiële burgerschap.
Synagoge
Aan het eind van de achttiende eeuw woonden er 129 joden in Alkmaar; in het midden van de negentiende eeuw waren het er intussen meer dan tweehonderd. De Alkmaarse joden hadden in 1744 toestemming gekregen een huis in te richten als synagoge. In 1808 kochten ze een gebouw in de Hofstraat dat ze speciaal lieten verbouwen tot synagoge. In 1826 kreeg de synagoge vervolgens onder meer een nieuwe voorgevel, meer ruimte binnen en een galerij voor vrouwen. De synagoge is sindsdien nog een paar keer verbouwd, en bestaat nog steeds.
Afbeelding: Detail van een bouwtekening van een verbouwing van de synagoge aan de Hofstraat, 1844 (Regionaal Archief Alkmaar).



