Johanna Jacoba West werd op 26 november 1769 gedoopt in de Alkmaarse Grote Kerk. Volgens het doopboek was zij ‘gebooren op de Westkust van Sumatra, in de Oost-Indiën’. Haar aangenomen achternaam – West – verwees ongetwijfeld naar haar geboortegrond, het westen van Sumatra, een eiland dat nu deel uitmaakt van Indonesië. Johanna Jacoba was volgens het doopboek een ‘dienstmaagd’ van Frederik van de Wall.
Slaafgemaakt meisje
Die Frederik van de Wall was rond 1762 in Alkmaar komen wonen. Hij was een Amsterdammer die binnen de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) was opgeklommen tot commandeur aan de westkust van Sumatra. Toen hij in 1761 vandaar terugkeerde naar Nederland en zich vervolgens in Alkmaar vestigde, moet hij het meisje Johanna Jacoba hebben meegenomen. Van Frederik van de Wall is bekend dat hij in Azië slaafgemaakte mensen in zijn bezit had. Johanna Jacoba was waarschijnlijk een van hen. In Alkmaar werkte zij als dienstmeisje in het huis van Frederik van de Wall, eerst net buiten de Kennemerpoort en later in de Langestraat. Na een jaar of tien in Alkmaar verhuisde Frederik van de Wall met zijn gezin terug naar Amsterdam. Toen hij in 1776 overleed, vertrokken zijn weduwe en kinderen weer naar Azië.
‘Zwart’
Maar Johanna Jacoba West bleef in Alkmaar. Ze trouwde in 1784 met de Alkmaarse sjouwerman Casper van Loo. Het stel kreeg geen kinderen. In 1791 lieten de twee samen hun testament opmaken. Als achternaam van Johanna Jacoba schreef de notaris toen ‘Zwart’ in zijn register. Misschien valt daaruit wel op te maken dat zij als vrouw van kleur nog altijd opviel in Alkmaar. Johanna Jacoba West overleed in april 1808 en werd begraven in de Grote Kerk. Volgens een vermelding in de Alkmaarsche Courant was ze zestig jaar geworden.
Zie:
Mariëlle Hageman, ‘Gebooren op de Westkust van Sumatra’



