Een klein aantal Fransen vestigde zich in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw in Alkmaar: een paar katholieken, maar vooral protestanten. Zij behoorden tot de duizenden Franse protestanten, oftewel hugenoten, die met name in de late zeventiende eeuw naar de Nederlanden vluchtten.
Godsdienstvrijheid
In 1685 herriep koning Lodewijk XIV het Edict van Nantes, waarmee de Franse protestanten aan het eind van de zestiende eeuw een zekere mate van godsdienstvrijheid hadden gekregen. Protestanten in Frankrijk werden vervolgens gedwongen zich tot het katholicisme te bekeren. De meeste van hen besloten elders op zoek te gaan naar een beter bestaan. In de overwegend protestantse Nederlandse Republiek waren de hugenoten welkom. Veel van hen waren welgestelde kooplieden, of ambachtslieden die luxegoederen produceerden die welvarende Nederlanders graag wilden kopen: zijdewerkers, goud- en zilversmeden, horlogemakers, glasblazers, en ook uitgevers. Sommige Nederlandse steden deden daarom hun best de Franse immigranten te trekken en boden hun allerlei privileges aan.
Geen eigen profijt
Alkmaar was minder happig op de Franse nieuwkomers dan sommige andere steden. Het Alkmaarse stadsbestuur was wel bereid om vluchtelingen te ondersteunen, maar wees in november 1685 een verzoek van Fransman Jean Ostome af, die zich met enkele families en arbeiders in de stad wilde vestigen om er Franse manufacturen en stoffen te gaan produceren – als daar tenminste een aantal voordelen tegenover zou staan en er een Franse kerk in Alkmaar zou komen. De stadsbestuurders constateerden dat Ostome alleen uit was op zijn eigen profijt. Alkmaar kreeg, in tegenstelling tot een aantal andere steden, ook geen Franstalige kerk.
Afbeelding: Protestanten vluchten uit Frankrijk na de herroeping van het Edict van Nantes, ets door Jan Luyken, 1696 (Rijksmuseum Amsterdam).



