Een Deense schoenmaker

Illustratie: Een schoenmaker aan het werk in zijn winkel, rond 1700.

Op 4 juli 1666 trouwde Matthijs Hendrickse uit Kopenhagen met Annitie Rothmans. Ze waren allebei luthers, net als veel andere Denen in de zeventiende en achttiende eeuw. De Alkmaarse Lutherse Kerk kon zelfs mede dankzij Deense giften gebouwd worden. Matthijs werd op 22 december 1664 lid van de Evangelisch-Lutherse kerk in Alkmaar en Annetie op 22 maart 1663.

Gilde

Matthijs Hendrickse was schoenmaker. Hij zat in de raad van het Alkmaarse schoenmakersgilde. Op 26 november 1678 stond hij, samen met drie andere leden uit de raad en deken Pieter van de Mieden, in voor Cornelis Jansz Plugh. De vijf mannen verklaarden voor de notaris dat het schoenmakersgilde de kosten en schuldeisers van Plugh zou betalen als hij dat zelf niet meer kon. Zo’n verklaring op papier, een zogenaamde akte van indemniteit, werd door de groeiende armoede in de zeventiende eeuw steeds vaker door steden gevraagd als nieuwe inwoners zich in de stad wilden vestigen. Dat juist het schoenmakersgilde instond voor Cornelis Jansz Plugh, is niet heel vreemd. Hij was namelijk een importeur van schoenen, galossen (klompen), muilen en laarzen.

Ziek

Op 12 december 1679 lieten Matthijs en zijn vrouw Annitje hun testament opmaken. Matthijs was toen ziek. Als Annetie toch eerder zou overlijden dan hij, zouden de kinderen van haar broer al haar linnen en kleren krijgen. Behalve haar huyck (mantel). Die was voor Matthijs om er een rouwkleed van te kunnen maken. Matthijs wilde dat er na zijn dood ook goed voor zijn vrouw gezorgd werd. Als zijn moeder Christina nog leefde na zijn overlijden, moest zij ervoor zorgen dat Annitie voldoende geld had om te blijven leven zoals ze deed. Op 23 december 1679 werd in de Grote Kerk ene Matthijs de Deen begraven. Grote kans dat dit dezelfde Matthijs was die kort daarvoor ziek bij de notaris zat.

 

Zie:

Notarieel archief van Alkmaar (10.3.003), inventarisnummer 308, 26 november 1678, en inventarisnummer 198, 12 december 1679.

 

Afbeelding: Een schoenmaker aan het werk in zijn winkel, rond 1700. Prent naar Adriaen van Ostade (Rijksmuseum Amsterdam).

Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
Inschrijving van Johanna Jacoba West in het doopboek van de Grote Kerk van Alkmaar: 'Op gedaane Belijdenis is gedoopt, Johanna Jacoba West. Dienstmaagd Van Den Wel.Ed:Ges: Heer Fredrik Van de Wall, & gebooren op de Westkust van Sumatra, In de Oost-Indiën.'

‘Op de Westkust van Sumatra’

Johanna Jacoba West werd op 26 november 1769 gedoopt in de Alkmaarse Grote Kerk. Volgens het doopboek was zij ‘gebooren op de Westkust van Sumatra, in de Oost-Indiën’. Haar aangenomen achternaam – West – verwees ongetwijfeld naar haar geboortegrond, het westen van Sumatra, een eiland dat nu deel uitmaakt van

Detail uit de akte van notaris Adriaan Wentel, 1 februari 1748, met de beschrijving van de confrontatie met de 'vreemdelingen of poepen'.

‘Poepen’ bij Huisduinen

Op een zomermiddag in 1747 raakten gezagsdragers van Huisduinen in een weiland slaags met een groepje arbeiders, ‘meest vreemdelingen of poepen’. ‘Poepen’ was een scheldwoord voor Duitsers. Twee getuigen beschreven de confrontatie op 1 februari van het jaar daarop voor de Helderse notaris Adriaan Wentel. Allemaal baas De Duitsers waren

Illustratie: Afbeelding: Een schoolmeester aan het werk op een prent door Jan Luyken, 1694 (Rijksmuseum Amsterdam).

Twee Franse schoolmeesters

In de late zeventiende eeuw stelde het Alkmaarse stadsbestuur twee Franse schoolmeesters aan. De twee waren hugenoten oftewel Franse protestanten, op de vlucht omdat ze in Frankrijk onder druk werden gezet om zich te bekeren tot het katholieke geloof. Het stadsbestuur van Alkmaar bood hun financiële steun. Franse taalles De