Duitsers

Illustratie: De Duitse immigranten Hans Slenderhinck en Geesje op een kinderprent uit 1670.

Duitsers vormden vanaf ongeveer 1625 tot in de negentiende eeuw de grootste groep immigranten in Alkmaar en de regio. Ruim de helft van alle buitenlanders die zich hier vestigden kwam toen uit het Duitse rijk.

Schoenmakers en dienstmeisjes

De meeste Duitse immigranten kwamen hierheen om werk te zoeken. Ze waren arm en konden hier meer verdienen dan in hun land van herkomst, en bovendien opklimmen op de sociale ladder. Een deel van hen was ongeschoold en ging bijvoorbeeld aan de slag als sjouwer. Maar er kwamen ook Duitse handwerkslieden en geschoolde arbeiders, of jongens die hier in de leer gingen. Zo waren Duitsers die naar Alkmaar kwamen onder meer schoenmaker of schoenlapper, kleermaker of bakkersgezel, en werkten ze in een bierbrouwerij of in de textielnijverheid, en soms ook als wielmaker, zeepzieder, pottenbakker of boekdrukker. Duitse meisjes kwamen als dienstbode in Alkmaarse huishoudens werken.

Lutherse kerk

Veel van de Duitse immigranten waren lutheranen: protestanten, maar niet van de ‘officiële’ calvinistische Nederlandse kerk. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw stond het Alkmaarse stadsbestuur de lutheranen een eigen kerk toe aan de Oudegracht. In 1692 werd daar een hele nieuwe lutherse kerk ingewijd.

Hannekemaaiers

Naast de Duitsers die zich permanent in de stad vestigden, trokken er ieder jaar Duitse seizoenarbeiders – meestal uit Westfalen – naar de regio om op het land te helpen met de oogst, met grasmaaien of turfsteken, en met andere tijdelijke werkzaamheden. Omdat veel van die Duitse maaiers Johannes of Hans heetten, werden zij wel Hannekemaaiers genoemd.

Poepen

De Duitse immigranten hadden een negatief imago. Ze werden gezien als lomp en dom, en als bedriegers. Er bestonden allerlei scheldwoorden voor Duitsers: behalve ‘moffen’ bijvoorbeeld ook ‘knoeten’ en ‘poepen’. In Alkmaar bestond een kroeg waar veel Duitsers kwamen en die het Poepsnest werd genoemd.

 

Zie:

Leo Lucassen, Poepen, knoeten, mieren en moffen. Beeldvorming over Duitse immigranten en trekarbeiders in zeventiende- en achttiende-eeuwse kluchten, in: Vreemd gespuis, Amsterdam 1987, pp. 29-37.

 

Afbeelding: De Duitse immigranten Hans Slenderhinck en Geesje op een kinderprent uit 1670 (Rijksmuseum Amsterdam).

Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
Inschrijving van Johanna Jacoba West in het doopboek van de Grote Kerk van Alkmaar: 'Op gedaane Belijdenis is gedoopt, Johanna Jacoba West. Dienstmaagd Van Den Wel.Ed:Ges: Heer Fredrik Van de Wall, & gebooren op de Westkust van Sumatra, In de Oost-Indiën.'

‘Op de Westkust van Sumatra’

Johanna Jacoba West werd op 26 november 1769 gedoopt in de Alkmaarse Grote Kerk. Volgens het doopboek was zij ‘gebooren op de Westkust van Sumatra, in de Oost-Indiën’. Haar aangenomen achternaam – West – verwees ongetwijfeld naar haar geboortegrond, het westen van Sumatra, een eiland dat nu deel uitmaakt van

Detail uit de akte van notaris Adriaan Wentel, 1 februari 1748, met de beschrijving van de confrontatie met de 'vreemdelingen of poepen'.

‘Poepen’ bij Huisduinen

Op een zomermiddag in 1747 raakten gezagsdragers van Huisduinen in een weiland slaags met een groepje arbeiders, ‘meest vreemdelingen of poepen’. ‘Poepen’ was een scheldwoord voor Duitsers. Twee getuigen beschreven de confrontatie op 1 februari van het jaar daarop voor de Helderse notaris Adriaan Wentel. Allemaal baas De Duitsers waren

Illustratie: Afbeelding: Een schoolmeester aan het werk op een prent door Jan Luyken, 1694 (Rijksmuseum Amsterdam).

Twee Franse schoolmeesters

In de late zeventiende eeuw stelde het Alkmaarse stadsbestuur twee Franse schoolmeesters aan. De twee waren hugenoten oftewel Franse protestanten, op de vlucht omdat ze in Frankrijk onder druk werden gezet om zich te bekeren tot het katholieke geloof. Het stadsbestuur van Alkmaar bood hun financiële steun. Franse taalles De