Marij Cammen uit Antwerpen was dertig jaar oud toen zij in 1671 met het Alkmaarse gerecht te maken kreeg. Ze had het blijkbaar niet breed, want ze was gaan bedelen. Marij had haar eigen kind én twee andere kinderen meegenomen om de goede Alkmaarse burgers ‘tot mildadigheyt te bewegen’. Marij kreeg daarvoor een flinke straf: ze werd een jaar lang uit de stad verbannen. Als ze terug zou komen binnen dat jaar, zouden daar nog ‘swaeder straffen’ op komen te staan.
Illegaal bedelen
Bedelen was op zich niet verboden. Maar voor gezonde mensen was bedelarij wel illegaal. Bovendien was er een vergunning nodig om te mogen bedelen, ook in Alkmaar. Marij, die goed van lijf en leden was, had niet zo’n vergunning. Ze was niet de enige immigrant die gestraft werd om haar bedelarij. Margrete van der Straten uit Antwerpen (30), Eefge Christiaens uit Denemarken (28) en Louysje Philidis uit Gent (28) werden die dag, 11 juli 1671, voor hetzelfde vergrijp veroordeeld.
Kinderen inzetten
Naast Marij, Margrete, Eefge en Louysje hielden nog veel meer mensen zich niet aan het verbod op bedelen zonder vergunning. Het was een terugkerend probleem voor het stadsbestuur. Zowel in de stad als op het platteland rond Alkmaar werd veel illegaal gebedeld. Bedelaars hielden zich op in publieke plaatsen of gingen van deur tot deur. Daarom werden er regelmatig keuren uitgegeven door het stadsbestuur, waarin werd benadrukt dat bedelen niet zomaar mocht. Het inzetten van kinderen bij het bedelen, zoals Marij had gedaan, kwam regelmatig voor. Het wordt zelfs specifiek benoemd in het ‘Keure tegens de bedelarye’ uit 1700.
Zie:
Rol van criminele zaken, 11 juli 1671, Oud-rechterlijk archieven van Alkmaar, inventarisnummer 45.
Afbeelding: Een bedelende vrouw met kind in achttiende-eeuws Amsterdam (Stadsarchief Amsterdam).



